From David Bos, Servants of the Kingdom
Even when it was quiet in church, the preacher’s words did not always fall on receptive ears. Many churchgoers found it difficult to stay focused on the sermon, and numerous anecdotes, stories, and rhymes even suggest that it was not uncommon for them to fall asleep. In Schetsen uit de pastorie te Mastland, Van Koetsveld describes the general lack of interest in the second, discursive part of his homily. As soon as he was finished explicating the text, many of the “listeners” nodded off, abruptly waking again when he proceeded to the applicatio, since they were expected to stand for that part.[1] Even churchgoers who kept their eyes open often let their minds wander. Wolff and Deken tell the story of a housewife who spent most of her time in church examining
whether the Chandeliers were clean or dusty, whether the Windows were transparent or merely translucent, whether the pews had been scrubbed white or brown, or the Chairs upholstered, and whether the cushions were well fluffed . . . whether the Minister’s wig and band were looking spruce, and whether his large, fine, white handkerchief with its broad hem had been freshly washed in Haarlem—and then drawing conclusions as to whether the Minister’s wife was neat and clean, or slovenly.[2]
In his short story “Kees Springer in de kerk” (“Kees Springer at Church”), J. J. Cremer gives an unsparingly realistic account of how sermons were experienced by the congregation. Though the preacher in the pulpit is a rather good one, truth be told, with a clear voice and a well-written text, Kees, a “supernumerary at the postal service,” is digging through his jacket in search of a coin for the offering. He tries to concentrate, but his thoughts keep straying, and he picks up no more than a phrase here and there. This dutiful churchgoer, Cremer suggested, was surely not the only one retaining so little of the sermon.
You come home with the memory that it was crowded there, and warm or cold; that the sermon was long or short; that a young lady was looking pale and had to leave the church, an incident which led to some commotion; that the organ let out a tremendous squeak during the introductory hymn; that the Rev. P. trotted out his old Alpha and Omega again and echoed even worse than last time; that the precentor quacked just like a duck; and a hundred other things . . . you hear noises and your mind wanders; you stand up to pray, hold your hat in front of you, and see the little portraits in the lining of Napoléon and Eugénie or Victoria and Albert, and you find yourself wandering the streets of Paris or London and visiting the operas there; you hear the amen and sit down again; you sing to drown out your neighbor, who is bleating like a sheep, and to make it plain that your voice is a fair bit more powerful than his.[3]
[3]J. J. Cremer, “Kees Springer in de kerk.” In Novellen, p. 33. It becomes apparent that though Kees is a poor listener in church, he does the right thing outside it. Hendrik Tollens describes the reverse: a patrician couple listens avidly to a sermon about loving one’s fellow man, but they show no compassion for their own servants (see “De Kerkgang” [1855]. In Tollens, Dichtwerken, XII).
Uit: David Bos, In dienst van het Koninkrijk
Zelfs als het stil was in de kerk vonden predikanten niet altijd gehoor; menig kerkganger had moeite om zijn aandacht bij de preek te houden. Als men de vele anekdotes, verhalen en versjes hierover mag geloven, vielen gemeenteleden dikwijls tijdens de preek in slaap. Van Koetsveld beschreef hoe er in Mastland nauwelijks geluisterd werd naar het tweede, betogende deel van zijn preek. Zodra hij de tekst had verklaard, dommelde een groot deel van de ‘toehoorders’ in, om pas te ontwaken bij de toepassing _ die men in deze gemeente staande placht aan te horen.[1] Ook gemeenteleden die hun ogen open hielden, hadden hun hoofd er niet altijd bij. Zo voerden Wolff en Deken een huisvrouw ten tonele die in de kerk vooral zat te kijken
… of de Kerkkroonen schoon of beslagen waren; of de Glaazen helder of hoornagtig, of de banken wit of bruin geschuurd, of de Stoelen bestoven, en of de Kussens opgeschud waren [...] of Dominé’s pruik en bef er knap uitzagen; of zyn groote witte fyne zakdoek, met breede zoomen, wel uit de Haarlemmmer wasch komt: gevolgelyk, of Dominé een nette of slordige Vrouw heeft.[2]
Een hyper-realistische beschrijving van de wijze waarop preken op de toehoorders overkwamen, gaf mr J.J. Cremer in zijn novelle Kees Springer. Terwijl het toch heus een goede dominee is die op de preekstoel staat, met een heldere stem en een mooie tekst, zit Kees, ‘surnumerair bij de posterijen’, in de voering van zijn jas te wroeten naar een dubbeltje voor de collecte. Hij probeert zijn hoofd erbij te houden maar zijn gedachten dwalen telkens af; niet meer dan enkele flarden dringen tot hem door. Deze brave kerkganger, meende Cremer, was vast niet de enige die zo weinig aan een preek overhield:
Je komt thuis met de herinnering, dat het er vol en koud of warm was; dat de preek lang of kort duurde; dat er een juffrouw, die erg bleek zag, de kerk uit moest, ‘t geen nog al opschudding gaf; dat het orgel onder het voorgebed in eens wonderlijk piepte; dat dominee P. alweer met z’n Alpha en Omega voor den dag kwam, en nog erger gegalmd had dan vroeger; dat de voorzanger precies kwaakte als ‘en eend, en honderd dingen meer [...] je hoort klanken en denkt aan wat anders; je staat op om te bidden, houdt den hoed voor de oogen, en ziet de portretjes van Napoléon en Eugénie, of Victoria en Albert er in, en je dwaalt door Parijs of Londen en bezoekt er de opera’s en hoort ‘amen,’ en gaat weer zitten; je zingt, om je buurman, die blaart als ‘en schaap, te overbluffen, en te doen hooren dat je vrij wat meer stem hebt dan hij.[3]
[3]J.J. Cremer, ‘Kees Springer in de kerk’. In: Novellen, p. 33. ‘Buiten de kerk’ bleek dat Kees weliswaar slecht luisterde, maar goed handelde. Hendrik Tollens beschreef het omgekeerde: een adellijk echtpaar hoort geboeid een preek over naastenliefde aan maar laat het eigen personeel in de kou staan (zie ‘De Kerkgang’ [1855]. In: Tollens, Dichtwerken, xii).