J. C. Bloem

In Memoriam

The weather changes, autumn is returning.
Leaves gild the water as they have before,
And fall to earth, down to the shadowy yearning
Of living hearts. He’ll see it nevermore.

How much he would have loved these dusky streets,
This atmosphere, befogged and sanctified,
Pavement, deserted as the day retreats,
Turned damp and unfamiliar and wide.

But he was destined for the silent things
With which we live – not all of us so long –
The truths each heart expresses when it sings,
Until we sink, and with us sinks the song.

That season too was fall; the leaves return,
Though lives do not, once their brief day has fled.
We learned how cruelly human hearts can burn,
Standing in his still chamber, by the bed.

For me, this memory will not fade away:
So unlike sleep, death’s utter lack of sound.
Life is a miracle renewed each day,
And each awakening a new life found.

And now I find myself back in this blest
Season of fallen leaves on water, gleaming
Like the pale sun of dead days laid to rest.
But how much longer will I go on dreaming?

This weary life of toil leaves us breathless.
And what remains? What’s left worth longing for?
For him and me, an autumn that is deathless:
Sun, mist, and silence, and forevermore.

J. C. Bloem

In Memoriam

De blaren vallen in de gele grachten;
Weer keert het najaar en het najaarsweer
Op de aarde, waar de donkre harten smachten
Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten,
Die atmosfeer van mist en zaligheid,
Wanneer het avond wordt en het verlaten
Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen,
Waarmee wij leven – maar niet even lang –
Waarvan wij ’t wezen slaken in ons zingen,
Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keren,
Maar niet de harten, na hun korten dag;
Wij stonden, wreed van menselijk begeren,
In de ademloze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven:
Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
Dat het een daaglijks wonder is, te leven,
En elk ontwaken een herrijzenis.

Nu weer hervind ik mij in het gewijde
Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
Als het veeg zonlicht van een dood getijde,
En denk: hoelang nog leef ik in dien schijn?

Wat blijft ons over van dit lange derven,
Dat leven is? Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst, die niet kan sterven:
Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.